Welke maatschappelijke schade accepteren we?

Voorafgaand aan de wijziging van de arbowet in 2007 ontstond er discussie in de Tweede Kamer. De bewindslieden wilden werk maken van een terugtredende overheid, terwijl twee kamerleden een motie indienden om ter bescherming van werknemers juist meer gezondheids- en veiligheidskundige grenswaarden in de wet op te nemen. Uiteindelijk werden de partijen het er over eens dat het niet de bedoeling was dat er ‘een ongebreidelde hoeveelheid nieuwe concrete doelvoorschriften’ in wet- en regelgeving opgenomen zou worden. Wel moesten werkgevers en werknemers waar mogelijk geholpen worden met duidelijke getallen voor veilige grenzen aan risico’s op het werk. De Gezondheidsraad kreeg vervolgens het verzoek om voor een groot aantal risico’s te kijken of er wetenschappelijk bewijs was om die te benoemen. Hayo van der Brugge was sinds 2011 namens het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid waarnemer in de commissie.

Vallende manOm wat voor arbeidsrisico’s ging het?

We hebben een hele reeks van arbeidsrisico’s in kaart gebracht. De nadruk lag op de fysieke belasting. Denk daarbij aan duwen, trekken, tillen, vallen, maar ook aan beeldschermwerk. Veilige grenzen blijken bijna nooit te geven. Repeterende handelingen bijvoorbeeld hebben zeker nadelige gevolgen, maar een veilige ondergrens waar beneden iemand gegarandeerd geen last krijgt is niet te geven. Hetzelfde geldt voor vallen: er is geen veilige hoogte van waaraf je kunt vallen zonder iets te beschadigen. Ook een val van geringe hoogte kan letsel veroorzaken.

Was er genoeg wetenschappelijke kennis voorhanden?

We onderscheidden drie categorieën arbeidsrisico’s: (1) risico’s die pas boven een bepaalde blootstelling leiden tot gezondheidsschade; (2) risico’s die bij toenemende blootstelling leiden tot een steeds grotere kans op gezondheidsschade maar waarvoor geen veilige grens is aan te wijzen en (3) arbeidsrisico’s waarvan we de relatie tussen blootstelling en de kans op gezondheidsschade onvoldoende kennen.
De eerste categorie konden we niet vullen met harde getallen: niet een keer was vast te stellen, bij de onderzochte risico’s, dat er een blootstelling is waarbij geen enkele werknemer kans op gezondheidsschade loopt. Wel heeft de commissie voor een groep van biologische agentia gezegd dat er per agens een grenswaarde af te leiden moet zijn. En voor hittestress heeft de commissie een gezondheidskundige advieswaarde aanbevolen die de korte-termijn-effecten van hittebelasting voorkomt. In de tweede categorie konden we vier vormen van fysieke belasting plaatsen: staand en gehurkt werken, tillen, en beeldschermwerk. Bij die vier was een dosisresponsrelatie af te leiden, met andere woorden: je kunt uittekenen hoe groot de kans op gezondheidsschade is bij verschillende niveaus van blootstelling. Om echter hieruit een norm voor te kunnen stellen moet eerst de maatschappelijke vraag worden beantwoord hoeveel gezondheidsschade (bijvoorbeeld rugklachten of RSI) we maatschappelijk acceptabel vinden. Over de overige risico’s, zoals bijvoorbeeld werkstress of geknield werken, had de commissie nog onvoldoende wetenschappelijk inzicht om tot normen te komen, en die vielen dus in de derde categorie.

Wat gebeurt er met de vier adviezen die wel getallen hebben opgeleverd?

Deze vier gaan nu een vervolgtraject in waarin werkgevers en werknemers in de Sociaal-Economische Raad, ondersteund door het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en de Gezondheidsraad, om tafel gaan in een gesprek over wat maatschappelijk geaccepteerd is. Laten we eens nemen het advies over tillen. We weten dat tillen leidt tot rugklachten. Hoe vaker en hoe zwaarder je moet tillen op het werk, hoe groter het risico dat je rugklachten krijgt. Op dit moment hebben werkgevers en werknemers als hulpmiddel de 25-kilogrens, waarbij ze zelf het productieproces zo moeten inregelen dat werknemers niet te snel achtereen die inspanning moeten leveren. Het werk van de commissie van de Gezondheidsraad naar de mogelijkheden voor normen voor deze arbeidsrisico’s kan werkgevers helpen houvast te bieden. Of dat uiteindelijk leidt tot wettelijke verplichtingen of tot richtlijnen en handvatten is nu nog niet te zeggen.

Rugklachten door het werk zijn dus niet te voorkomen, maar wel te beperken?

De SER-commissie arbeids­omstandig­heden heeft aangeboden de regie te nemen. Uiteindelijk moet ze spreken namens zowel werkgevers als werknemers. Zij gaan als eersten in overleg over welke risico’s we maatschappelijk aanvaardbaar vinden. Dat gaat wel over complexe vragen. Gaan we in Nederland akkoord met een ziekteverzuim van 2 procent, ongeacht waar het door komt bijvoorbeeld? En dan de grootste uitdaging: hoe vergelijk je appels met peren? Hoe weeg je het risico van biologische agentia met dat van rugklachten? Is iedere uitval even erg? Is het even erg als iemand door rugklachten even het bed moet houden, als wanneer iemand langzaam doof wordt door het werk? Misschien zit de sleutel in de rekeneenheid DALY (Disability-Adjusted Life-Years) die gezondheidsverlies kwantificeert. Je kunt ermee uitdrukken hoeveel geluk iemand mist in zijn leven. Door de prijs van allerlei gezondheidsrisico’s op het werk in DALY uit te drukken, zouden we uiteindelijk moeten kunnen zeggen welke risico’s voor werknemers we in deze tijd aanvaardbaar vinden. Aan de andere kant is DALY weer een meeteenheid die een gewone werkgever of werknemer niets zegt. Kortom: we zijn een stap verder door het werk van de commissie, maar we zijn er nog niet.

Wanneer verwacht u conclusies?

Niemand weet hoeveel tijd we nodig hebben om dit uit te denken. Ook elders binnen Europa is men nog niet op zo’n manier aan het kijken. Dat gebeurt nog nergens voor zover ik weet. De discussie is complex en zou dus wel eens lang kunnen duren.